Wat is PGB begeleidwerken Rotterdam?

Naast het begeleid werken dat door de gemeente tot stand wordt gebracht, introduceert de nieuwe Wsw het begeleid werken via de figuur van het persoonsgebonden budget (hierna: PGB). Met het toekennen van het PGB wordt beoogd om geïndiceerden in staat te stellen zelf een werkgever en een begeleidingsorganisatie te vinden en in overleg met hen een arbeidsplaats te realiseren, daarbij gelet op de specifieke capaciteiten van mogelijkheden van de geïndiceerde. Tot op heden was deze taak exclusief ondergebracht bij Detacheren & Begeleid Werken van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Rotterdam (SoZaWe). Het PGB kan bijdragen aan de ambitie van de gemeente Rotterdam om het aantal Wsw-ers in een begeleid werken-baan te verhogen naar 500.

 

Een Persoonsgebonden Budget wordt bekostigd uit de rijksbijdrage die de gemeente ontvangt voor de uitvoering van de Wsw. Het Persoonsgebonden Budget bestaat uit een bijdrage voor begeleiding bij zoeken naar een Begeleid Werken dienstverband, het aanpassen van de werkplek en het verstrekken van een loonkostensubsidie aan de werkgever. Aan de begeleidingsorganisatie en de werkgever worden kwaliteitseisen gesteld.

 

 

Verordening  Persoonsgebonden budget

 

Artikel 11  Uitvoeringskosten

Het college stelt jaarlijks vóór 31 december de hoogte vast van de uitvoeringskosten die rechtstreeks verband houden met de te verstrekken persoonsgebonden budgetten in het daarop volgende kalenderjaar.

 

Artikel 12  Doel persoonsgebonden budget 

Met het toekennen van een persoonsgebonden budget wordt beoogd om geïndiceerden in staat te stellen zelf een werkgever en een begeleidingsorganisatie te vinden en in overleg met hen een arbeidsplaats te realiseren, daarbij gelet op de specifieke capaciteiten en mogelijkheden van de geïndiceerde.

 

Artikel 13  Inhoud van het persoonsgebonden budget

Het persoonsgebonden budget bestaat uit de volgende drie bestanddelen:

a.   een subsidie voor de werkgever voor de eenmalige kosten van aanpassing van de werkplek, bedoeld in artikel 16;

b.   een periodieke subsidie voor de werkgever als bedoeld in artikel 17;

c.   een vergoeding voor de begeleidingsorganisatie als bedoeld in artikel 22.

 

Artikel 14  Voorwaarden persoonsgebonden budget

1.   Het college verstrekt op aanvraag aan een geïndiceerde een persoonsgebonden budget

begeleid werken, indien werkgever en begeleidingsorganisatie er zorg voor dragen dat de arbeidsplaats voor de geïndiceerde en diens begeleiding adequaat worden ingevuld. Tevens dient te worden vastgesteld dat de geïndiceerde op het moment van de aanvraag volledig en adequaat is geïnformeerd over het PGB-traject.

2.   De werkgever voldoet aan de volgende voorwaarden:

a.   de werkgever staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, behoudens voor           zover het betreft een overheidsinstelling;

b.   de arbeidsplaats en de arbeidsomstandigheden zijn, gelet op de indicatiestelling en         de mogelijkheden van de geïndiceerde, aan te merken als passend;

c.   de duur van het dienstverband bedraagt ten minste zes maanden;

d.   de salariëring is gebaseerd op de voor de betreffende bedrijfstak vigerende CAO.

3.   De begeleidingsorganisatie voldoet aan de volgende voorwaarden:

a.   de begeleidingsorganisatie staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

b.   de begeleidingsorganisatie en zijn medewerkers zijn aantoonbaar gekwalificeerd            voor het begeleiden van geïndiceerden in een reguliere werksituatie;

c.   de begeleidingsorganisatie heeft aantoonbaar ervaring met het begeleiden van   geïndiceerden in een reguliere werksituatie;

d.   de begeleidingsorganisatie is naar het oordeel van het college voldoende liquide en        solvabel.

 

Artikel 15  Indienen van de aanvraag

In aanvulling op artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de aanvraag

voor een persoonsgebonden budget mede ondertekend door de werkgever en de

begeleidingsorganisatie.

 

Artikel 16  Subsidie voor de eenmalige kosten van aanpassing van de werkplek

1.   Het college kan de werkgever een subsidie verstrekken voor de éénmalige kosten van aanpassing van de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht, indien uit het rapport van een door het college aan te wijzen deskundige blijkt dat aanpassingen op de werkplek:

a.   noodzakelijk zijn;

b.   persoonsgerelateerd zijn; en

c.   het niet redelijk is dat de werkgever deze kosten draagt.

2.   Kosten van de aanschaf van voor de functie benodigd gereedschap, apparaten en

machines, kosten van de reguliere inrichting van de werkplek alsmede kosten voortvloeiend uit de wet- en regelgeving inzake de arbeidsomstandigheden, die de werkgever voor iedere werknemer zou maken uit hoofde van goed werkgeverschap, komen niet voor subsidiëring in aanmerking.

3.   Een subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verleend onder de voorwaarde dat het

dienstverband als bedoeld in artikel 14 tot stand is gekomen door het afsluiten van een arbeidsovereenkomst voor minimaal zes maanden.

4.   De Algemene Subsidieverordening Rotterdam 2005 is niet van toepassing op de verstrekking van een subsidie als bedoeld in het eerste lid.

 

Artikel 17  Periodieke subsidie

1.   Het college kan de werkgever een periodieke subsidie verstrekken zolang de dienstbetrekking duurt.

2.   Het college stelt de hoogte van de periodieke subsidie vast aan de hand van een

loonwaardeonderzoek.

3.   In het loonwaardeonderzoek, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld voor welk percentage een geïndiceerde arbeidsproductief is.

4.   Bij het loonwaardeonderzoek, bedoeld in het tweede lid, kan een door het college aan te wijzen extern deskundige worden ingeschakeld.

5.   Aanvullend aan de periodieke subsidie kan het college een subsidie verstrekken voor

noodzakelijke structurele kosten van de werkgever die verband houden met het in dienst hebben van een geïndiceerde.

6.   De Algemene Subsidieverordening Rotterdam 2005 is niet van toepassing op de verstrekking van een periodieke subsidie aan de werkgever.

 

Artikel 18  Herziening van de loonwaarde

1.   Op verzoek van de werkgever kan de loonwaarde en daarmee de loonkostensubsidie worden herzien, indien daartoe gelet op de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit aanleiding is.

2.   De loonwaarde en daarmee de loonkostensubsidie kan ambtshalve worden gewijzigd, indien daar aanleiding voor is.

3.   Onverminderd het in het eerste en tweede lid artikel 20, vindt elke twee jaar een

loonwaarde-herbepaling plaats, indien de geïndiceerde beschikt over een dienstverband voor onbepaalde tijd.

4.   Bij het herzien van de loonwaarde kan een door het college aan te wijzen extern deskundige worden ingeschakeld.

 

Artikel 19  Het besluit tot het verlenen van de periodieke subsidie

Het besluit tot het verlenen van een periodieke subsidie bevat in ieder geval:

a.   de hoogte van de subsidie;

b.   de beschrijving van de periode waarop de subsidie betrekking heeft;

c.   de wijze en de hoogte van bevoorschotting;

d.   de verplichtingen van de werkgever.

 

Artikel 20  Het vaststellen van de periodieke subsidie

1.   De werkgever verstrekt binnen acht weken na afloop van het kalenderjaar aan het college de benodigde gegevens voor het kunnen vaststellen van de subsidie, waaronder in ieder geval een schriftelijke opgave van het door hem in het voorafgaande jaar

 

betaalde bruto loon van de geïndiceerde, vermeerderd met alle werkgeverslasten.

2.   Het college stelt binnen acht weken na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde gegevens de subsidie vast.

 

Artikel 21  Verplichtingen van de werkgever

De werkgever doet onmiddellijk schriftelijke mededeling aan het college van alle feiten en

omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de verstrekking van de subsidie.

Artikel 22  Vergoeding aan de begeleidingsorganisatie

1.   De hoogte van de vergoeding aan de begeleidingsorganisatie wordt in een overeenkomst tussen de gemeente Rotterdam en de begeleidingsorganisatie vastgesteld.

2.   Van de kosten van de begeleidingsorganisatie die samenhangen met het zoeken van een arbeidsplaats komt 50 procent voor vergoeding in aanmerking nadat tussen een geïndiceerde en een werkgever een dienstverband als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder c, is overeengekomen.

3.   De overige 50 procent van de kosten komt voor vergoeding in aanmerking wanneer een

geïndiceerde het dienstverband bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder c, voltooid heeft.

 

 

 

Toelichting Verordening Persoonsgebonden budget

 

Artikel 11 Uitvoeringskosten

Artikel 7, tiende lid, onderdeel b, van de wet bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de hoogte van de voor het college rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten omgerekend op jaarbasis. Artikel 12 van deze verordening vormt de uitwerking van deze verplichting. In dit artikel wordt bepaald dat het college elk jaar de hoogte van de gemeentelijke uitvoeringskosten van begeleid werken met een persoonsgebonden budget vaststelt. De gemeente zal zelf moeten bepalen welke uitvoeringskosten het toekennen van een persoonsgebonden budget aan een geïndiceerde voor de gemeente met zich meebrengt. De wet geeft niet aan wat precies onder uitvoeringskosten moet worden verstaan. Het moet in ieder geval gaan om kosten die rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden zijn (artikel 7, tweede lid, onderdeel b, van de wet). Daarbij kan worden gedacht aan kosten in verband met de volgende activiteiten:

– het beoordelen van aanvragen voor een persoonsgebonden budget;

– de administratieve handelingen in verband met het verstrekken van subsidies en

vergoedingen in het kader van het persoonsgebonden budget;

– het monitoren van het begeleid werken met een persoonsgebonden budget;

– het tussentijds bepalen van loonwaarde;

– het voeren van (tussentijdse) gesprekken met begeleidingsorganisatie en werkgever.

 

De uitvoeringskosten worden afgetrokken van het bedrag dat de gemeente (gemiddeld) per geïndiceerde van het rijk ontvangt, waarbij ook rekening wordt gehouden de mate van arbeidshandicap. Het bedrag dat de gemeente (gemiddeld) per geïndiceerde van het rijk ontvangt minus de (gemiddelde) uitvoeringskosten per geïndiceerde levert vervolgens het bedrag op dat de gemeente in beginsel beschikbaar heeft voor een persoonsgebonden budget.

 

 

Artikel 13 Inhoud van het persoonsgebonden budget

Het PGB bestaat uit drie bestanddelen:

1. Een subsidie voor de eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht. Hieronder worden bijvoorbeeld kosten verstaan die gemaakt worden voor technische aanpassingen in de werkplek.

2. Een periodieke subsidie aan de werkgever waar de geïndiceerde in dienst is. Deze periodieke subsidie bestaat uit enerzijds een subsidie bedoeld als een tegemoetkoming in de loonkosten in verband met de geringere arbeidsproductiviteit. Aanvullend aan de loonkostensubsidie kan een subsidie worden verstrekt als een vergoeding voor de structurele kosten van de werkgever die verband houden met het in dienst hebben van een geïndiceerde. Daarbij kan worden gedacht aan de kosten die een werkgever maakt wanneer de geïndiceerde wordt vervoerd van het woonadres naar het adres van de werkgever en vice versa, of aan de kosten voor intermediaire activiteiten ten behoeve van mensen met een visuele of auditieve handicap (zoals een voorleeshulp of een doventolk).
3. Een vergoeding aan de begeleidingsorganisatie die de begeleiding van de geïndiceerde verzorgt.

 

Het PGB is geen rugzakje: de geïndiceerde krijgt geen budget mee. In feite moet het PGB als hier bedoeld dan ook eerder worden gezien als een persoonsvolgend budget. Het PGB wordt aangevraagd door de geïndiceerde, maar de subsidie en vergoeding worden door de gemeente verstrekt aan de werkgever respectievelijk de begeleidingsorganisatie.

Enerzijds bestaat er dus een recht op een PGB, anderzijds heeft het college de verantwoordelijkheid voor het zo efficiënt en effectief inzetten van publieke middelen en het realiseren van de jaarlijkse (rijks)taakstelling voor het realiseren van Wsw-plekken. Het bestaan van een PGB ontslaat het college ook niet van de zorgplicht zoals die is geformuleerd in artikel 1, derde lid van de wet.

 

Artikel 14 Voorwaarden persoonsgebonden budget

Het college zal bij elke aanvraag van een PGB moeten beoordelen of de inpassing in de arbeid van betrokkene, met inbegrip van begeleiding op zijn werkplek adequaat door de werkgever wordt verzorgd (artikel 7, eerste lid, van de wet). In verband hiermee kunnen eisen worden gesteld aan de werkgever en de door hem aangeboden werkplek. Op grond van het gestelde in artikel 7, tiende lid, van de Wsw dient de gemeenteraad in zijn verordening de voorwaarden te regelen waaronder het college een begeleidingsorganisatie inschakelt die door de geïndiceerde is aangewezen. De begeleidingsorganisatie dient in staat te zijn de geïndiceerde voorafgaand aan het traject volledig en adequaat te informeren.

Tevens is van belang dat wordt vastgesteld dat de geïndiceerde op voldoende wijze is geïnformeerd over het PGB-traject dat wordt ingezet.

De voorwaarde dat een overheidsinstelling niet bij de Kamer voor Koophandel hoeft te zijn ingeschreven vloeit voort uit het feit dat overheidsinstellingen niet bij de KvK kunnen worden ingeschreven.

 

Artikel 15 Indienen van de aanvraag

De geïndiceerde zal het persoonsgebonden budget moeten aanvragen. Omdat begeleid werken met een persoonsgebonden budget leidt tot een subsidierelatie met de werkgever en een contractrelatie met de begeleidingsorganisatie, zullen ook de werkgever en de begeleidingsorganisatie van de geïndiceerde de aanvraag moeten ondertekenen.

Op basis van de aanvraag beslist het college vervolgens of een periodieke subsidie aan de werkgever en een periodieke vergoeding aan de begeleidingsorganisatie worden verstrekt en voor welke bedragen. Vervolgens vindt de verstrekking van de periodieke subsidie aan de werkgever plaats op basis van een beschikking en de verstrekking van een periodieke vergoeding aan de begeleidingsorganisatie op basis van een overeenkomst.

 

Artikel 16 Subsidie voor de kosten van aanpassing van de werkplek

De verordening dient regels te bevatten die betrekking hebben op de voorwaarden waaronder het college aan de werkgever een subsidie verstrekt voor de éénmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de omstandigheden waaronder arbeid wordt verricht (artikel 7, tiende lid, van de Wsw). Dit artikel vormt de uitwerking van deze verplichting.

Het eerste lid bepaalt dat een éénmalige subsidie kan worden verstrekt. Daarvoor is een deskundigenrapport nodig. Het derde lid stelt dat deze bijdrage pas wordt verleend wanneer de arbeidsovereenkomst is afgesloten. De Algemene Subsidieverordening Rotterdam 2005 is niet van toepassing op de verstrekking van een subsidie als bedoeld in het eerste lid, omdat de wijze van subsidieverstrekking in het kader van de Wsw daarvan sterk afwijkt.

 

Artikel 17 Periodieke subsidie

De gemeenteraad dient bij verordening nadere regels te stellen met betrekking tot de wijze waarop de hoogte van de periodieke subsidie aan de werkgever dient te worden vastgesteld (artikel 7, tiende lid, onderdeel a, van de Wsw). De periodieke subsidie bestaat uit een loonkostensubsidie en eventueel  uit een aanvullende subsidie voor structurele kosten van de werkgever die verband houden met het in dienst hebben van een geïndiceerde (bijvoorbeeld kosten die verband houden met het vervoer van een geïndiceerde van zijn woonadres naar het adres van de werkgever en vice versa, of terugkerende kosten voor intermediaire activiteiten).

 

Het doel van de loonkostensubsidie is het verstrekken van een tegemoetkoming in de loonkosten in verband met de geringere arbeidsproductiviteit van de geïndiceerde. Om te kunnen bepalen wat de hoogte van de loonkostensubsidie moet zijn, is inzicht nodig in de verdiencapaciteit (loonwaarde) van de betrokken geïndiceerde. De hoogte van de loonkostensubsidie wordt bepaald aan de hand van een loonwaarde-onderzoek. Daarbij kan het college een externe deskundige inschakelen.

 

De kosten voor het inschakelen van een deskundige komen voor rekening van het college.

Op grond van het gestelde in artikel 7, tweede lid, onder b, van de Wsw mag het bedrag van de periodieke subsidie aan de werkgever (de loonkostensubsidie en de eventuele aanvullende subsidie) en de periodieke vergoeding aan de begeleidingsorganisatie voor begeleiding op de werkplek omgerekend op jaarbasis niet meer bedragen dan het voor de gemeente beschikbare Wsw-budget gedeeld door het bijbehorende minimumaantal arbeidsjaren waarop de jaarlijks aan de subsidieverlening voor de gemeente klevende uitvoeringskosten in mindering zijn gebracht. Indien betrokkene is ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie ernstig, wordt de uitkomst (conform 7 van de Wsw) van de deling vermenigvuldigd met 1,25 alvorens de uitvoeringskosten daarop in mindering worden gebracht.

Komt het bedrag van de periodieke subsidie en de periodieke vergoeding van begeleiding boven het hiervoor bedoelde bedrag en/of heeft betrokkene nog geen recht op aanbieding van Wsw-dienstbetrekking dan is het college niet verplicht om subsidie te verstrekken maar mag het dat wel.

 

Artikel 18 Herziening van de loonwaarde

De productiviteit van een geïndiceerde kan toenemen of wellicht minder worden. In dat geval kan de loonwaarde en daarmee de loonkostensubsidie worden aangepast. Het kan verstandig zijn om in de subsidiebeschikking op te nemen hoe, en op welke wijze, (tussentijdse) herbeoordelingen van de loonwaarde zullen plaatsvinden.

 

De herbeoordeling van de loonwaarde vindt plaats op basis van een loonwaarde-onderzoek, waarbij een extern deskundige wordt ingeschakeld. De kosten voor het inschakelen van een deskundige komen voor rekening van het college.

 

Artikel 20 Het vaststellen van de periodieke subsidie

Met het vaststellen van de subsidie wordt de subsidieverstrekking voor het betreffende kalenderjaar afgerond. De hoogte van het subsidiebedrag voor dat jaar wordt definitief vastgesteld. Om de subsidie te kunnen vaststellen, dient de werkgever een schriftelijke opgave te doen van het door hem in het voorgaande jaar betaalde bruto CAO-loon van de geïndiceerde, vermeerderd met alle werkgeverslasten.

 

Artikel 22 Vergoeding aan de begeleidingsorganisatie

Het zoeken naar een werkplek wordt pas gehonoreerd als dit ook daadwerkelijk leidt tot een arbeidsovereenkomst (no cure, no pay). Het stelsel van de PGB gaat uit van de veronderstelling dat een geïndiceerde zelf met een werkgever aankomt. In de praktijk komt het echter voor dat de begeleidingsorganisatie, c.q. het re-integratiebedrijf, eerst een werkplek moet gaan zoeken, omdat die op voorhand niet beschikbaar is. Artikel 7, vierde lid van de Wsw geeft dit ook aan. Lukt het zoeken van een werkplek niet, of niet tijdig, en er zou toch voor die dienst moeten worden betaald, dan is dit vanuit financieel oogpunt ongewenst. Vandaar de, optionele, no cure, no pay bepaling in het tweede lid. Ter voorkoming van frauduleuze handelingen wordt 50% van de kosten bij realisering van een arbeidsovereenkomst uitgekeerd en de overige 50% na voltooiing van de duur van de arbeidsovereenkomst.

 

Inwerkingtreding

Wanneer de verordening op een later moment dan op 1 juli 2008 wordt vastgesteld, treedt de verordening in werking met terugwerkende kracht tot en met deze datum.